Denkend aan Holland
zie ik breedte passes
traag tegen oneindige
kluwen reclameborden slaan,
rijen ondenkbaar
afbuigende afstandschoten
als hooge pluimen
naar den einder gaan;

en in de geweldige
ruimte op links verzonken
een stuntelende Elia
en een scheids, gehaat door het land,
bevolkingsgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband.
De plank misslaan.
De lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het WK
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord:
weer niet! weer niet!